woord beschrijving voor "
met
"
- en daarbij
- ' 's Ochtends eten we brood met beleg.
- in gezelschap van
- 'Ik ga met hem mee.
- als partner hebbende
- 'Morgen zal ik er met m'n manager over spreken.
- als gevoel hebbende
- 'Hij bekeek de pentekening met interesse.
- na, als gevolg van
- Het wordt er met de tijd niet beter op.
- [met Karels vertrek raken we een waardevolle collega kwijt.
- gelijktijdig met, tijdens
- [met de schoolvakantie is het rustig in de stad.
- ter gelegenheid van
- 'We zijn met mijn verjaardag naar de Keukenhof geweest.
- gebruik makend van, door middel van, met behulp van
- [met dit mes werd de moord gepleegd
- 'Ik reis morgen met de trein naar Purmerend.
- op hetzelfde moment, toen, zodra
- arch. stukjes die overblijven bij het snijden van grotere stukken vlees.
- ontmoette, ontmoet (in bv. heb ontmoet).
- onvoltooid verleden tijd of voltooid deelwoord van meet (ontmoeten)
woord beschrijving voor "
mee
"
- van het voorzetsel met
- licht alcoholische drank vervaardigd van honing
- een plant waarvan de wortel een rode kleurstof bevat
woord beschrijving voor "
wat
"
- iets, een beetje.
- enigszins
- om naar een of meer zaken te vragen.
- na alles, iets, niets, datgene.
- na twijfel of onbekendheid.
- met insluiting van antecedent: datgene wat.
- terugverwijzend naar een gehele zin.
- zeer, erg, heel